Het oude zilver van het Sint-Jansgilde.
Elk schuttersgilde kan zijn bestaan in het verleden aantonen aan de hand van overgeleverd zilver, al zal dat in geen enkel geval de hele zilverschat zijn die het gilde ooit bezeten heeft. Met name de koningsvogels en de schilden die de koningen (al dan niet reglementair daartoe verplicht) hun gilde schonken ter ere van hun koningschap zijn in het algemeen bewijzen van een eeuwenoud bestaan van het gilde. Vaak kan aan de hand van de overgebleven schilden een beeld geschetst worden van de bloeiperiodes en de minder voorspoedige tijden van het gilde.
Het Sint-Jansgilde van Soerendonk bezit uit de periode van voor de tweede wereldoorlog een koningsvogel, dertien koningsschilden en een herinneringsschild. De koningsschilden dateren uit de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw, waaruit afgeleid kan worden het constante, regelmatige bestaan van het gilde. De koningsvogel draagt het jaartal 1645 en samen met de koningsschilden van 1644 en 1645 het bewijs voor 350-jarig bestaan van het schuttersgilde in 1994. De koningsschilden komen uit de jaren 1644, 1645, 1654, 1722, 1749, 1750, 1777, 1788, 1809, 1812, 1819, 1853 en 1863. de serie voor-oorlogse schilden wordt afgesloten met een herinneringsschild bij gelegenheid van een 50-jarig gildebroederschap in 1906. In al die jaren worden de oude gebruikelijke en bekende schildvormen gebruikt. Pas na de tweede wereldoorlog komen de afwijkende vormen in zwang.
Het Sint-Jansgilde heeft in de zeventiger en tachtiger jaren van bijna alle oude schilden replica's laten maken die op de mantels gedragen worden als het gilde uittrekt. Dit om zo verdere beschadiging en verlies van oud koningszilver te voorkomen en om dat in de huidige staat te kunnen bewaren voor het nageslacht. Maar ook in het verleden werd aandacht geschonken aan een goede staat van het aanwezige koningszilver. Dat mag afgeleid worden uit de restauraties en verstevigingen die de meeste oude schilden in de loop de tijden ondergaan hebben. Op slechts zes van de veertien onderzochte schilden komt ook een stadsmerk, meesterteken of zilvermerk voor. En dat terwijl sinds een plakkaat van Philips de Schone uit 1503 al het zilversmidwerk voorzien moest worden van een meesterteken en het stadswapen. Het was dus wel een plicht, maar blijkbaar een plicht waarmee op grote schaal de hand gelicht werd. Een van de redenen daarvoor kan zijn dat de registratie ook gebruikt werd als belastingmerk. De waarborginstantie kon aan de hand van de geslagen meestertekens aan het einde van het jaar precies vaststellen wat de smid allemaal gemaakt en dus verdiend had! Het kan in dat opzicht begrijpelijk heten dat er anoniem zilver in omloop kwam. Opvallend is dat enkele van de oudste schilden van het gilde met een kruis gemerkt zijn. Dat bleek bij nader onderzoek echter geen merk of wapen maar een symbolische afbeelding in de heraldiek van een molenijzer, een ijzer waarmee de molensteen werd vastgehouden. De betrokkenen waren blijkbaar molenaar, wat op enkele schilden ook beschreven staat. Op de acht koningsschilden uit 1644, 1645, 1654, 1722, 1749, 1809, 1853 en 1863 en de koningsvogel (alle negen dus ongekeurde stukken!). komt geen enkele aanwijzing voor die het mogelijk maakt de herkomst, de maker en het jaar en de plaats van vervaardiging te achterhalen. Die schilden en de vogel vallen voor het verdere verhaal af . Maar ook de resterende zes schilden uit 1750, 1777, 1788, 1812 en 1906 passen in hun tijdsbeeld en geven een interessante historische kijk op het gebruik van zilverkeuren door de jaren heen.
|
|
Voorzijde: | afbeelding van een ploeg getrokken door twee paarden. Gravure, in zes regels: IAN VAN DER SANDE KONING VAN St IANS GULD TE SOERENDONK 1809. De rand van het schild is voorzien van een parelrand. |
| Achterzijde: | leeg | |
| Gebruikte technieken: | zaagwerk, graveerwerk, ciseleerwerk, het schild is flauw bol gesmeed. | |
| Restauraties: | verstevigingsdraden aangebracht; tevens zijn zeven verstevigingsplaatjes aangebracht. | |
| afmetingen: | 171mm hoog, 114mm breed, 0,25mm dik | |
| Gewicht: | 46,6 gram | |
| Stadsteken: | geen | |
| Meesterteken: | geen | |
| Opmerkingen: | De hoge kwaliteit van de gravure valt in het niet bij de tamelijke plompe uitvoering van het schild zelf. |
Zilverwerk kan drie of zelfs vier merken dragen. Er is het meesterteken een persoonlijk teken van de goudsmid, de maker zelf. Er is het stadsmerk, dat aangeeft uit welke omgeving het stuk afkomstig is. Dat kan bijvoorbeeld van belang zijn voor het zilvergehalte, want dat verschilt in de normen van de ene of de andere plaats. Het stadsmerk is vaak het wapen van de stad, maar kan ook iets anders zijn. Zo hanteert Dordrecht daarvoor een roosje. En dan is er het zilverkeur, als garantie dat het zilver aan een bepaald gehalte voldoet. Aan zilver moet immers iets koper worden toegevoegd omdat het anders te zacht wordt. Die verhouding zilver/koper werd van plaats tot plaats voorgeschreven en vastgelegd en de keur moest garanderen dat het gehalte goed was. Dit werd aanvankelijk getoetst aan het zilveren muntgeld dat ingeleverd werd bij de zilversmid om er iets van te laten maken. De brenger van de munten wilde er natuurlijk zeker van zijn dat al zijn zilvergeld ook echt verwerkt was in het stuk! Op met name zilver uit Holland komt behalve deze drie merken ook nog een in 1963 ingevoerd provinciemerk voor, een Hollandse leeuw, maar dat gebruik is in Brabant nooit doorgevoerd.
In het verleden werd er achtereenvolgens op vier manieren gekeurd, te relateren aan de staatkundige toestand van 1503 (het plakkaat van Philips de Schone) tot 1795 (de opheffing van de zilversmidsgilden) was er sprake van de gildetijd. Van 1796 tot 1812 bestonden de Bataafse Republiek en het Koninkrijk Holland. Deze woelige jaren waren voor de zilverkeuren als het ware een overgangsperiode. De jaren 1812 en 1813 kenden het regiem van het Franse keizerrijk , streng gecentraliseerd (de invoering van de burgerlijke stand bijvoorbeeld), waarin gekeurd werd naar franse normen. Vanaf 1814 functioneert het koninkrijk der Nederlanden en heeft de staat een eigen waarborg: als het werk een dergelijk stempeltje draagt, is de staat garant voor het zilvergehalte. In de gildetijd was het keuren en stempelen voorbehouden aan het zilversmidsgilde van de stad waaronder ook het omringende platteland viel. In de omliggende dorpen kon ook een zilversmid actief zijn, maar die moest zijn zilver laten keuren in de dichtstbijzijnde stad waar een zilversmidsgilde was. In die tijd was er dus geen overheidswaarborg zoals na 1812. In het huidige Noord-Brabant bestonden in de gildetijd voor zover bekend in zeven plaatsen zilversmidsgilden die zelf hun zilver keurden. Dat waren de steden Bergen op Zoom, Steenbergen, Breda, Oosterhout, Den Bosch, Boxmeer en Eindhoven. In de meeste plaatsen stammen de eerste levenstekenen van deze gilden overigens pas uit de tweede helft van de achttiende eeuw, wat kan samenhangen met economische moeilijke tijden. Eindhoven had geen eigen keurmerk, wat ook voor meer plaatsen geldt. De gildetijd kenmerkt zich door het slaan van het stadswapen in het zilveren voorwerp, vergezeld van het teken van de zilversmid en voor zover gebruikelijk een jaarletter. In Holland kwam bij dit alles in 1663 het provinciewapen. Onder deze vorm van keuring vallen de Soerendonkse koningsschilden van 1750, 1777 en 1788.
Het schild van 1750 heeft als enige merk een gekroonde zesster. Deze gekroonde zesster komt ook voor op een koningsschild van het Sint-Barbaragilde uit Maarheeze, in 1793 gemaakt door Petrus Reese, Reese was een zilversmid uit Eindhoven, die leefde van 1761 tot 1819. In de jaren 1814 tot 1819 merkte hij zijn werk met de zesster en P.R. Veel Eindhovense zilversmeden uit het begin van de negentiende eeuw hebben in hun meesterteken een zesster. Dit teken zou mogelijk een plaatselijk Eindhovens merk kunnen zijn als 'alternatief stadswapen' , hoewel dit niet te rijmen valt met een gevonden Eindhovens keur met jaarletter A uit het derde kwart van de achttiende eeuw. Het koningsschild van 1750 is vrijwel zeker afkomstig uit Eindhoven, zonder dat duidelijk zal worden wie de maker is.
Het schild van 1777 heeft twee tekens, maar helaas zijn ook aan de hand daarvan op dit moment geen nadere gegevens over het schild te achterhalen. Zowel het meesterteken als het stadswapen blijven vooralsnog onbekend. Het meesterteken is te lezen als bijvoorbeeld FDP, EDP en PDP; het laat zich vooralsnog niet leiden naar een mogelijke maker. Het wapen is een soort franse lelie. Vast staat wel dat het schild in elk geval niet uit Venlo komt. Mogelijk zou het Roermonds kunnen zijn; met dat wapen is er enige gelijkenis.
|
|
Voorzijde: |
geen afbeelding. Gravure in drie regels (in vrij kleine tekstschild): ANDREAS BAKENS KONINGH ANNO 1777. De brede rand om het tekstschild is versierd met acanthusbladeren, bloemenranken en lelietjes-van-dalen. |
| Achterzijde: | leeg. | |
| Gebruikte technieken: | zaagwerk, graveerwerk, ciseleerwerk, het schild is flauw bol gesmeed | |
| Restauraties: | geen | |
| Afmetingen: | 145mm hoog, 122mm breed, 0,4mm dik. | |
| Gewicht: | 56,2 gram | |
| Stadsteken: | lelie (roos?) | |
| Meesterteken: | in de rechteronderhoek, combinatie van drie letters met D en P: IDP, FDP, EDP, of iets soortgelijks. | |
| Opmerking: | kwalitatief gezien is dit het mooiste schild van het gilde, maar helaas valt niet te achterhalen waar dit schild vandaan komt. Het valt op dat de kwaliteit van het graveerwerk slecht is in verhouding tot de kwaliteit van het schild zelf. Mogelijk is het door iemand anders dan de maker gegraveerd. |
Het schild van 1788 is duidelijk toe te wijzen aan Eindhovenaar Petrus Reese, met het merk P.R en een liggende rechthoek als meesterteken. Dit schild draagt overigens niet de wellicht te verwachten gekroonde zesster!
In 1798 werd formeel besloten tot opheffing van de gilden en de macht die zij vertegenwoordigden. Er volgden een aantal roerige jaren, want de gildenbestuurders gaven niet zonder slag of stoot hun verworvenheden, waaronder bepaalde inkomsten, op. Zo werd de wijze van keuren nog tot 1807 volgens het aloude gildesysteem gehandhaafd. In 1807 echter kwam het achteraf als rampzalig te bestempelen besluit van minister Gogel dat alles wat op de oude gilden betrekking had vernietigd moest worden. Het verlies van de oude gildeplaten en gildeboeken is zeer nadelig voor het herkennen van de oude zilvermerken. een heel goed voorbeeld daarvan is het Soerendonkse schild van 1777, dat ondanks de aanwezige merken misschien niet te determineren valt. Op 1 maart 1812, na de inlijving van het koninkrijk Holland bij het Franse keizerrijk, werd hier de Franse waarborgwet van kracht. Dit bracht onder andere met zich mee dat vorm van het meesterteken moest voldoen aan de Franse wet. Het meesterteken moest in de vorm van een op een punt staande ruit worden in geslagen. Het Soerendonkse koningsschild van 1812 past ook in deze, slechts een kort leven beschoren zijnde traditie. Dit schild draagt wederom het meesterteken van Petrus Reese, maar nu in ruitvorm, heel typerend voor het Frankrijk onder Napoleon in die tijd. Het schild draagt verder het franse gehalteteken als zilverkeur. De 'haan in rechthoek' moest gerant staan voor een zilvergehalte van 800/1000, dat is acht op tien delen zilver en twee delen koper. Het vereiste gehalte 800/1000 is heel lang norm geweest in Frankrijk en werd bijvoorbeeld ook in Roermond als keurnorm gehanteerd. Het is als laag te bestempelen, in de oude Zeven Provinciën was bijvoorbeeld voor de keuring het gehalte 935/1000 de norm. Het Franse keizerrijk duurde voor Nederland slechts kort; reeds einde 1813 was het koningrijk der Nederlanden een feit. Van 1813 tot de Belgische opstand in 1830 (die uiteindelijk leidt tot de afscheiding van België en Luxemburg) Vormden de zuidelijke en noordelijke Nederlanden een staatkundige eenheid. Het koninkrijk der Nederlanden hanteert als zilverkeur een leeuwtje, althans in het noordelijke deel. Voor het zuiden golden de Belgische keuren, of beter: de keuren die gehanteerd waren in de zuidelijke Nederlanden. Voor keurkamers van Maastricht en Roermond was in de periode van 1814 tot 1830 ook de zuidelijke waarborgregeling van kracht. Bij het merken werd dus niet gebruik gemaakt van het leeuwtje.
|
|
Voorzijde: |
afbeelding van twee naar links en rechts hangende guirlandes, waartussen afbeelding van timmermansgereedschap beitel, passer, hamer, zaag en schaaf. Gravure, in vijf regels: IAN: IANSPER: VAN MIERLO: KONING: VAN St IANS: GULD: TE SOERENDONK AN: 1812: NO. De rand ven het schild is voorzien van een parelrand. |
| Achterzijde: | leeg | |
| Gebruikte technieken: | zaagwerk, graveerwerk, ciseleerwerk, het schild is licht bol gesmeed. | |
| Restauraties: | aan de achterzijde zijn vier zilveren verstevigingsplaten aangebracht. | |
| Afmetingen: | 175mm hoog, 121mm breed, 0,25mm dik. | |
| Gewicht: | 71 gram | |
| Keurtekens: | kantoorstempel voor middelgrote werken=naar rechts kijkende man met helm, arrondissementsletter niet leesbaar | |
| Gehaltemerk: | haan in de rechterhoek (zilvergehalte is 800/1000ste); | |
| Meesterteken: | P.R in ruitvorm (=Petrus Reese uit Eindhoven). | |
| Opmerking: | Franse keuren uit 1812: Nederland was onder Franse overheersing |
Op het Soerendonkse koningsschild van 1819 komen de zuidelijke zilverkeurmerken voor. Het schild is gekeurd in Roermond en heeft dus een 'Belgisch' keurmerkteken en gehalteteken, terwijl het wel gekeurd is in het Nederlands-Limburgse Roermond. Een meesterteken is helaas niet geslagen dus de maker is niet bekend. Wel staat zo vast dat het in het gebied van de keurkamer van Roermond gemaakt is dus niet in Eindhoven, want dat viel onder de keurkamer van Den Bosch. Overigens bleven de keurkamers van Maastricht en Roermond tot in 1842 (dus ook nog jaren na de feitelijke afscheiding van België in 1831) de keurmerken van de zuidelijke Nederlanden gebruiken.
|
|
Voorzijde: |
afbeelding van een door bloemenkrans omgeven bijenkorf, daaronder gravure in zes regels: Francis Antoni Arts iong Man Koning Van De Guld Van St Ian baptist Te SoerenDonk 1819. De rand van het schild is voor zien van een enkele filetrand. |
| Achterzijde: | leeg | |
| Gebruikte technieken: | zaagwerk, graveerwerk, ciseleerwerk, het schild is licht bol gesmeed. | |
| Restauraties: | aan de achterzijde zijn drie verstevigingsplaten aangebracht. | |
| Afmetingen: | 167mm hoog, 112mm breed, 0,25mm dik. | |
| Gewicht: | 66,8 gram | |
| Stadsteken: | hand met stok en letter O (=Roermond) | |
| Gehalteteken: | vierkant waarin twee lauriertakjes met cijfer 2 (gehalte is 833/1000: = zilver- keur van de zuidelijke Nederlanden). | |
| Meesterteken: | niet aanwezig | |
| Opmerking: |
Het herinneringsschild van 1906 is het eerste Soerendonkse schild met een Nederlands keur, dat dus al in gebruik was sinds 1814. In het schild is een zwaardje ingeslagen. Dat betekent dat het door de waarborg (de overheidsinstantie) bestempeld werd als 'klein werk'. Het zilvergehalte van dit herinneringsschild is 835/1000. Een meesterteken heeft het verder niet, dus ook van dit schild van 1906 heeft de maker blijkbaar anoniem willen blijven. Het zou het laatste Soerendonkse schild worden van voor de tweede wereldoorlog. Het koningschieten ging in de in de tussenliggende periode wel door, maar met name door de economische moeilijke tijden werden er geen schilden meer toegevoegd aan het zilverbezit van het gilde. Dat kwam pas weer op gang enkele jaren na de oorlog, wat leidde tot een onafgebroken serie van elke drie jaar een nieuw koningsschild.
Literatuur: ' En die opbloei zal er komen'. Verhalenbundel bij het 350-jarig jubileum van het Sint-Jansgilde Soerendonk 1994 door W. van Exel